Verschijningsdatum: Girlz! X-tra, winter 2007
Rubriek: Real Life
Auteur: Marije Hoogeveen (de Hoon)

Girls in een afkickkliniek

Bij een drugs- of alcoholverslaafde denk je al snel aan een oude magere man met vieze kleren en een lange baard. Maar dat niet alleen volwassenen verslaafd kunnen zijn, weten Alice, Yvonne en Jesse als geen ander. Zij zitten in een jongerenafkickkliniek in Groningen. Aan Girlz! vertellen deze meiden over hun verslaving, het afkicken en de toekomst.

Alice (16): “Afkicken is moeilijk, maar het beste voor mij”
“Drie maanden geleden ben ik vanwege mijn drugsgebruik in afkickkliniek het Bauhuus terechtgekomen. Ik gebruikte verschillende soorten harddrugs, zoals coke, speed en XTC. Samen met vrienden had ik een paar jaar geleden al een keer met drugs geëxperimenteerd, maar ik vond het op dat moment niet zo boeiend. Toen er zich enige tijd later een nare situatie voordeed met drie jongens, kon ik daar niet mee omgaan en nam ik drugs om mijn ellende te vergeten.

Stelen
“Een vriend van me zag dat het niet goed met me ging en bood me de drugs aan. Hij zei dat die mijn pijn zouden verzachten. En inderdaad, ik voelde geen pijn meer en vergat alles wat er was gebeurd. Dat was heel fijn. Eindelijk was mijn hoofd leeg en voelde ik me goed. Het is heus niet zo moeilijk om als jongeren aan drugs te komen. Als je eenmaal in het wereldje zit, leer je de mensen vanzelf kennen. Ik kocht de drugs via een vriend van mij. Hij kon er makkelijk aan komen. In het begin betaalde ik het van mijn zakgeld, maar op een gegeven moment had ik geen geld meer. Elke week gaf ik minstens vijftig euro uit. Ik was zo verslaafd dat ik geld van mijn ouders stal. Mijn ouders merkten dan niet. Nou ja, misschien wel, maar ze hebben het in ieder geval nooit tegen me gezegd. Ik weet eigenlijk niet wat ze ervan vonden, want we hadden geen goede band. Ook zocht ik verkeerde vrienden op en maakte ik grote schulden.”

Verdriet en teleurstelling
“Voordat ik in de afkickkliniek terechtkwam, ging ik gewoon naar school. Ik had een lieve lerares met wie ik heel goed kon praten; ik vertrouwde haar. Ze wist van mijn problemen af en we hadden vaak goede gesprekken. Zij bracht me in contact met een maatschappelijk werkster. Ook met haar had ik regelmatig contact, maar voor mijn gevoel hielpen die gesprekken niet. Ik ging juist meer gebruiken. Uiteindelijk heeft zij mijn ouders ingelicht over mijn drugsgebruik. Ik was bij dat gesprek. Eigenlijk wilde ik helemaal niet dat ze het vertelde omdat ik me ontzettend schaamde. Mijn ouders waren niet boos toen ze hoorden dat ik aan de drugs zat. Ze waren juist verdrietig en teleurgesteld. Natuurlijk hadden ze wel in de gaten dat het niet goed met me ging. Ik was magerder geworden en ik was heel weinig thuis. In het begin geloofden ze ook niet echt dat ik drugs gebruikte. Totdat ik een keer pillen op het aanrecht liet liggen en mijn moeder die vond. Pas toen had ze door dat het waar was. Ook vrienden geloofden me niet. Via via hoorden ze wel verhalen, maar ze dachten dat het overdreven was. Mijn lerares had contact met een instelling in mijn woonplaats en daar heb ik een paar gesprekken gehad. Uiteindelijk hebben de mensen van die instelling ervoor gezorgd dat ik in Het Bauhuus terechtkon.”

Fases

“Ik vind het eigenlijk best fijn om hier te zijn. In mijn ogen is alles beter dan thuis. Hier heb ik een eigen kamer en leer ik o mijn leven weer op te pakken. Iets wat ik ontzettend graag wil. Er zijn verschillende fases waar je doorheen moet. In de eerste fase leer je elkaar en jezelf kennen en je te hechten aan de groep en begeleiders. Dat duurt ongeveer zes tot acht weken. Ik vond het erg moeilijk omdat ik door mijn verleden weinig vertrouwen in mensen had. Ik zit nu in de tweede fase, waarin ik onder meer inzicht moet krijgen in mijn verleden en mijn problemen met drugsgebruik. Verder heb ik meer vrijheid gekregen. Enne, ik heb nu ook een radio op mijn kamer, haha! Daar ben ik heel blij mee. Hoe lang ik in fase twee blijf, weet ik niet. Dat is heel erg persoonsgebonden. Bij de een duurt het langer dan bij de ander. In de tweede fase mag je eens in de drie weken vijf uur op verlof. Daarvoor moet je een verzoek schrijven en dan is het afwachten of het verzoek wordt gehonoreerd. Op dit moment ben ik nog niet weggeweest. Ik wil het nog niet. Ik vind zelf dat ik er nog niet aan toe ben; het is een te groot risico. Ik ben bang dat ik, als ik maar eventjes weg ben, meteen weer begin met drugs. Sinds ik hier zit, heb ik niets meer gebruikt. Dat is een voorwaarde als je hier binnenkomt: meteen stoppen met je verslaving. Dat is heel zwaar. Voor mij voelde het alsof ik mijn zekerheid kwijt was. Ik heb er vaak genoeg aan gedacht om de kliniek te verlaten. Maar toch blijf ik. Ik weet dat het weer helemaal fout met me gaat als ik wegga. En ik wil juist mijn leven weer oppakken.”

Veilig gevoel
“Over mijn toekomst denk ik nog niet echt na. Wel is het de bedoeling dat ik weer een normaal leven ga leiden en naar school ga. Als ik hier klaar ben, wil ik terug naar mijn eigen woonplaats. Bang om dan weer op het slechte pad terecht te komen, ben ik niet. Als ik weg mag uit de kliniek ben ik zover dat ik nee kan zeggen en mijn leven op kan pakken. Maar voorlopig zal ik hier nog zitten. Ik heb het eigenlijk best naar mijn zin in de kliniek. Ik heb er een heel goed gevoel bij. Ik vorm echt een groep met de andere jongeren. Je leert met elkaar te leven en rekening met anderen te houden. Meiden die zich herkennen in mijn verhaal, wil ik adviseren om erover te praten, hoe moeilijk het ook is. Het kost veel energie, maar ik kom er wel. Daar ben ik van overtuigd.”

Yvonne (16): “Door de drugs was ik een groot gevaar voor mezelf”

“Ruim een jaar geleden ben ik min of meer uit vrije wil hierheen gekomen. Ik kon kiezen voor een open instelling en als ik dat niet wilde, zou ik naar een gesloten inrichting moeten. Daar had ik helemaal geen trek in, dus besloot ik het hier een kans te geven. Na een week was ik het zat en ben ik weggegaan. Maar ik kwam terug. Ik wist dondersgoed dat, als ik door zou gaan met alcohol en drugs, dat nog eens mijn dood zou worden. Ik was een groot gevaar voor mezelf.”

Laatste kans
“Ik heb een rotjeugd gehad. Mijn vader is overleden en mijn broer speelde de baas over mij. Daardoor heb ik een minderwaardigheidscomplex opgelopen. In zijn ogen was alles wat ik deed verkeerd, ik kon niets goed doen en daarvan werd ik superonzeker. Ook op school liep het niet lekker. Ik werd gepest omdat ik niet op jongens val. Ik werd dus niet geaccepteerd zoals ik was. Om alle ellende te vergeten ben ik op mijn twaalfde begonnen met alcohol drinken. In het begin was ik na twee glazen bier al dronken, maar op den duur kon ik makkelijk een stuk of acht halve liters bier plus nog een hoop sterke drank op. Elk weekend was ik hartstikke zat. Als 12-jarige kwam ik makkelijk aan de drank. Ik had vrienden van achttien die het voor me haalden. Dan gaf ik hen het geld dat ik van mijn moeder had gejat. Soms jatte ik fietsen om die door te verkopen. Ook had ik altijd mijn speciale ‘jattas’ bij me die ik in de supermarkt vulde met blikken bier. Al snel dronk ik niet alleen meer in het weekend. Op een gegeven moment was ik continue onder invloed. Door de alcoholverslaving kreeg ik steeds meer problemen thuis en op school. Ik spijbelde veel, ik was vaker niet dan wel aanwezig. Ik vond het superstoer om te drinken. Eindelijk hoorde ik ergens bij. Dat was een heel fijn gevoel. IK had geen problemen aan mijn hoofd. De alcohol liet me alle ellende vergeten. Maat dat is eigenlijk niet waar. Een verslaving zorgt er juist voor dat je je steeds onzekerder voelt. Want op het moment dat je nuchter bent, besef je dat je behoorlijk in de nesten zit. En als reactie daarop ga je alleen maar meer drinken.”

Agressief
“Op een gegeven moment ging ik dronken naar bed en stond ik dronken weer op. Ik had geen grens meer. Nachtenlang ging het zo door. Later was de alcohol niet meer genoeg en gebruikte ik ook regelmatig coke, speed en GHB. De drank maakte me vaak agressief. Als ik naar school ging, kwam ik gerust onder invloed in de les. Het viel leraren natuurlijk wel op dat ik er niet goed uitzag. Maar al ze ernaar vroegen, zei ik dat ik moe was en slecht had geslapen. Ze wisten dat ik thuis problemen had en ik heb ook gesprekken gehad op school. Maar ik stond er niet voor open om mijn verhaal te vertellen. Ik vond dat de leraren me niet konden helpen. Mijn moeder wist van mijn verslaving af, maar ze deed vrij weinig. Als ik onder invloed was, schold ik haar voor alles en nog wat uit. Ze wist op een gegeven moment niet meer wat ze met me aan moest en wilde me uit huis laten plaatsen. Ze zocht daarom contact met Jeugdzorg. Eens per twee weken had ik een gesprek met een mevrouw. Zij wist dat ik dronk, maar ik loog over de hoeveelheid. De gesprekken waren best fijn hoor, maar een oplossing kwam er niet. Ik bleef verslaafd. Sterker nog: het werd juist steeds erger. Uiteindelijk kwam ze met het idee om me naar Het Bauhuus te brengen. Ik stond er niet om te springen om naar een kliniek te gaan, maar na een informatief gesprek wilde ik het toch proberen. Ik merkte dat ik ver afgleed en dat het wel eens verkeerd met kon aflopen als ik niet geholpen zou worden. Toen ik in de kliniek zat ben ik een paar keer weggelopen. Maar elke keer kwam ik terug. Diep in mijn hart wist ik dat dit mijn laatste kans was. Anders zou ik naar een gesloten instelling moeten en dat wilde ik absoluut niet. Dat leek me echt verschrikkelijk.”

Doodsbang
“Op dit moment zit ik in de vierde fase. In deze fase leer ik keuzes te maken en verantwoordelijkheid te nemen voor alles wat ik doe. Ook moet ik werk en een school zoeken. Dat gebeurt wel onder begeleiding hoor. Ik werk nu bij en groenteboer. Dat bevalt me prima. Mijn baas weet van mijn verleden af. Daar wilde ik eerlijk in zijn. Hij vond het goed van me dat ik het heb verteld en hij heeft het volste vertrouwen in me. Ik vond het superfijn om te horen dat hij zo positief was. Dat deed echt iets met me en geeft aan dat ik zeker op de goede weg zit. Ik ben nu bezig met vmbo jaar 3 en 4 in een jaar. Als ik daarmee klaar ben, ga ik naar het volwassenenonderwijs om daar mijn havo-diploma te halen. Naar mijn oude school wil ik niet meer terug. Ik heb daar zulke nare herinneringen aan. Ik wil een nieuwe start maken. Over vijf weken ben ik hier klaar en kan ik weer de wijde wereld in. Het plan is dat ik tijdelijk thuis ga wonen. IK ben aangemeld voor begeleid kamerwonen, maar helaas is daarvoor een wachtlijst. Bang dat ik weer verslaafd raak ben ik niet. Ik heb ontzettend veel geleerd over mezelf en mijn verleden. Ik ben nu op het punt gekomen dat ik mijn vertrouwen helemaal terug heb. Aan de ene kant ben ik superblij dat ik hier weg kan, maar aan de andere kant ben ik ook doodsbang. Hier is alles vertrouwd en ken ik iedereen. Daar buitn is alles anders, moet ik weer naar school en braaf gaan zitten doen. Ik moet een nieuw leven opbouwen en dat is best moeilijk. Gelukkig word ik niet meteen in het diepe gegooid hoor. Ik krijg de komende tijd nog genoeg begeleiding en ik kan altijd bij Het Bauhuus terecht als er iets is. Dat is een fijne gedachte.”

Jesse (17): “Thuis ging ik naar de wc om daar stiekem te snuiven”

“Op mijn veertiende raakte ik verslaafd aan harddrugs, zoals speed, coke en XTC. IK had veel problemen thuis en merkte dat ik door het gebruik van drugs mijn problemen vergat. Ik ging niet meer naar school, dat boeide me totaal niet. En als ik er al was, veroorzaakte ik alleen maar problemen. Met als gevolg dat ik van school werd geschopt.”

Overdosis
“Ondanks dat ik nog zo jong was, was het supermakkelijk om aan drugs te komen. Ik gaf vrienden van mij geld om naar de coffeeshop te gaan. Omdat ik geen geld voor drugs had, stal ik het van mijn ouders en familie. Ook jatte ik fietsen en spullen uit winkels die ik doorverkocht. Elk beetje geld was welkom en ging op aan drugs. IK ben vaak opgepakt wegens stelen en kwam daardoor regelmatig in aanraking met justitie. Bij de politie stond ik bekend als veelpleger. Ik hoefde maar iets te stelen of ik werd al opgepakt. Een keer heb ik anderhalve maand vastgezeten. Dat was niet zozeer omdat ik had gestolen, maar vooral omdat ik aan de drugs zat. Elke dag was ik onder invloed. Mijn moeder wist niet dat ik gebruikte. Ze zag wel dat het lichamelijk slecht met me ging, want ik werd steeds magerder. Ze had het idee dat ik een eetstoornis had. Als ik naar de wc ging, dacht ze dat ik aan het overgeven was. Maar stiekem was ik aan het snuiven. Toen mijn oma op een dag een zakdoek met bloed in de prullenbak in het toilet zag liggen, wist ze hoe laat het was. Ik gaf toe dat ik gebruikte. Mijn moeder schrok natuurlijk heel erg. Vanaf toen durfde ik niet meer naar huis omdat ik me heel erg schuldig voelde. Ik schaamde me kapot voor mijn gedrag. behalve mijn gebruikersvrienden had ik niemand. Ik was veel op straat en sliep overal en nergens. Omdat het zo slecht ging, kreeg ik gesprekken met de verslavingszorg. Misschien dat ik zo van mijn verslaving af zou komen. De mensen daar hadden contact gehad met Het Bauhuus en regelden dat ik daar terechtkon. Dat wilde ik absoluut niet. Ik nam nog liever een overdosis dan dat ik daar heen zou gaan. Ik liet me niet de les lezen. Uiteindelijk bepaalde de rechter dat ik of naar Het Bauhuus zou gaan of naar een gesloten inrichting. Dat laatste leek me nog erger, dus had ik weinig keus. Ik rende de rechtzaal uit en heb mijn hoofd kapot geslagen. Psychisch ging ik eraan onderdoor.”

Nieuw leven opbouwen

“Altijd had ik aan de drugs gezeten, ik wist niet beter. Ik leefde in mijn eigen wereld. Toen ik in Het Bauhuus kwam, moest ik praten over mijn problemen en mijn gevoel. Dat vond ik eng. Door de drugs was ik bang geworden voor de realiteit. Ik bn een keer weggelopen uit de kliniek, maar toch kwam ik terug. Diep vanbinnen wist ik dat dit de oplossing was. Ik besefte dat het menens was en dat ik me van mijn beste kant moest laten zien. Ik ben bereid te veranderen. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn moeder. Natuurlijk zit ik hier liever niet, maar ik weet dat het voor mijn eigen bestwil is. Op dit moment zit ik in de derde fase. Ik leer initiatieven te nemen en ik moet alternatief gedrag tonen. Dat houdt in dat ik alles anders moet aanpakken dan ik gewend ben. Ook mag ik eens per drie weken een nachtje op verlof. Over een tijdje moet ik werk gaan zoeken. Ik wil graag schoonmaken in een bejaardentehuis, dat lijkt me superleuk. Mijn oma woont ook in een tehuis en als ik bij haar ben, heb ik het erg naar mijn zin. Ik weet nog niet hoe lang ik hier moet blijven, maar als het zover is, wil ik graag weer naar huis. Naar school wil ik niet meer, ik ga liever werk zoeken. Ik ben niet bang om terug te vallen in mijn oude leven. Als ik mijn vrienden van toen tegenkom, zal ik ze wel gedag zeggen, maar daar blijft het bij. Ik wil dolgraag een nieuw, eigen leven opbouwen.”

Het Bauhuus in Groningen is een onderdeel van de Verslavingszorg Noord Nederland. In Nederland is nog een andere afkickkliniek voor jongeren tussen de 12 en 21 jaar: Mistral D’TOX, deze kliniek zit in Den Haag. Tieners uit het hele land die ernstig verslaafd zijn aan alcohol, drugs, gamen of gokken, worden in een van deze twee klinieken opgevangen om af te kicken en te werken aan hun toekomst. In Het Bauhuus is plaats voor 14 jongeren in de leeftijd van 13 t/m 18 jaar. In deze kliniek krijgen de jongverslaafden niet alleen individuele behandelingen, maar vinden er ook groepsbehandelingen plaats. En als het mogelijk is, wordt ook de rest van het gezin intensief betrokken bij de behandeling. Hoe lang iemand in de kliniek zit, verschilt per persoon. Als je in Het Bauhuus zit, doorloop je verschillende fases. Hoe ‘verder’ je komt, hoe meer eigen verantwoordelijkheid je krijgt. Zo word je langzaam klaargestoomd voor een leven buiten de kliniek, zonder drugs, alcohol of andere verslavingen. Voor meer info over Het Bauhuus kun je terecht op www.bauhuus.nl